Albertus Messen

Retour
Geboren: 11-03-1808 te Rotterdam
Overleden: 27-05-1863 te Ketaun
Vader: Michiel Messen
Moeder: Cornelia van der Lindt
Gehuwd met: Maria Elizabeth Snijders (Rotterdam, 1832)


N.B.: de genoemde geboortedatum is de doopdatum.

Na de verkoop van de Helmers te Surabaya is Albertsus niet meer teruggekeerd naar Nederland.

Omtrent den moord op de Nederlandsch Indische bark Helmers, kapitein A. Messen, berigt men de volgende bijzonderheden: Het schip was bemand behalve met den Europeschen kapitein, diens nonna, en eenige njeis, nog met drie Europesche stuurlieden en een Europeschen matroos als passagier, alsmede 12 inlandsche soldaten. Op den 27sten Mei was het zeilende op de hoogte van Mokko-Mokko, assistentresidentie Benkoelen, toen de kapitein, die zich met zijne nonna in de kajuit bevond, door den eersten stuurman met aandrang naar boven werd geroepen, waaraan door hem werd weder voldaan. Eenige oogenblikken later stortte hij de kajuit binnen, roepende: ik ben vermoord, tandil (bootsman) heeft mij vijf messteken toegebragt. Hij werd kort daarop gevolgd door den eersten stuurman die voor de kajuitstafel nederviel, roepende: kapt. ik ben vermoord, de tandil heeft mij drie messteken gegeven. De tweede stuurman, die zich mede in de kajuit bevond, sloot de kajuitsdeur, waarop het volk de kap openhakte. Zij riepen de nonna van den kapitein toe om boven te komen, daar zij haar anders ook zouden vermoorden. De kapitein die nog leefde raadde haar aan om aan dat verlangen gevolg te geven. Daar de kajuitsdeur digt was, liet zij zich door de kap naar boven trekken. De kajuitsdeur werd toen opengehakt, de kapitein door nog eenige houwen schadeloos gemaakt en de tweede stuurman vermoord. De derde stuurman, die zich in het ruim verstoken had, werd te voorschijn gehaald en onderging een gelijk lot. Men droeg daarop de lijken en den kapitein, die nog leefden naar boven, en smeet ze over boord. De kapitein riep nog tweemalen den naam uit zijner nonna. Daarop waschte men de bloedvlekken af en ging, na het geld en de kleederen der verslagenen te hebben verdeeld, aan het spelen, eten en drinken. Om twee uren des namiddags pausde men, vroeg van de nonna van den kapitein de scheepspapieren, die men met een stuk lood in zee liet zinken. Het spel werd toen weder voortgezet tot vijf uren toen men den Europeschen matroos uitnoodigde om mede te spelen. Deze, aan dat verzoek gehoor gevende , werd beetgepakt , vastgebonden en na aan een stuk anker bevestigd te zijn, levend over boord geworpen. Den geheelen nacht en den daarop volgende dag, ging men voort met spelen, eten en drinken. Den 29sten 's morgens maakten men zich meester van den inlandschen kok, bond hem armen en beenen en smeet ook hem levend over boord. Dit geschiedde in voldoening aan eene voorwaarde door den njei van den kok gesteld, die door den tandil was aangezocht om met hem te komen leven. Het schip zelf liet men aan zijn lot over tot den 2den Junij, toen men land kreeg te zien. Men besloot toen gaten in het schip te hakken ten einde het te doen zinken. Het volk begaf zich in de longboot en in den giek, waarmede het den wal bereikte. De geheele reis door was men twijfelende geweest, om ook de nonna van den kapitein te vermoorden. Verscheidene malen had men de handen aan haar geslagen, doch zij was telkens door haar smeeken en belofte van geheimhouding aan het gevaar ontsnapt. Eens aan den wal, wist zij de woning van den controleur van Mokko-Mokko te bereiken, wien zij dadelijk het gebeurde in alle zijne bijzonderheden mededeelde en die de schuldigen onmiddelijk in verzekerde bewaring deed nemen. Welke de eigenlijke beweegredenen van deze gruweldaden geweest zijn is nog niet met zekerheid op te geven. Het schijnt echter dat de kapitein eene soort raderen had laten vervaardigen, ten einde het schip bij stilte voort te bewegen, waarmede op den dag van den moord het eerste zoude zijn gewerkt, en dat het volk, aangezet door den tandil, zeer tegen dat werk was ingenomen. De tandil zelf was een Boeginees en schijnt grooten invloed op het volk te hebben gehad, aan hetwelk hij zich voor een radja Boegies uitgaf. Nog wordt vermeld dat de tandil reeds vroeger de oogen op de koks-njei had laten vallen en te dier zake eenmaal op last van den kapitein met rottingslagen was afgestraft.
Delftsche Courant, 29-09-1863




Bronnen:
    - www.wiewaswie.nl
    - www.delpher.nl/
Geen afbeelding beschikbaar