![]() Home |
![]() Personen |
![]() Schepen |
![]() Overzichten |
![]() Bronnen |
![]() Woordenboek |
![]() Maten |
| Het schip |
| Minerva (0) |
| Meer informatie over dit schip |
| Het voor het ras van Terschelling liggende brikschip Minerva, kapitein P. Schackel, heeft in den nacht van 6 dezer, door zwaren storm uit het Z. en Z.Z.W., een anker verloren, doch 's morgens door eene loodsschuit een ander ontvangen. Rotterdamsche Courant, 12-12-1822 Volgens onderscheidene geruchten, sedert eenige dagen in omloop is de Minerva, Kapt. P. Schackel, de Hollandsche Brik die omtrent 50 mijlen boven Matanzas door Zeerovers genomen is; men zou het Schip aldaar in een bogt gebragt en vervolgens de Masten en het Touwwerk gekapt hebben om het voor Kruissers die mogten passeren te verbergen; of de Manschap in het leven, of bij de Roovers gebleven of wel ergens aan land gezet is, is nog niet bekend. Leydse Courant, 07-05-1823 Kapitein P. Schackel, gevoerd hebbende de door roovers genomen nederlandsche brik Minerva, van Amsterdam naar Havana, dezer dagen van Havana over Antwerpen te Amsterdam aangekomen, deelt aangaande dat voorval de volgende bijzonderheden mede: Den 25 Februarij, des morgens te 11 uren, zich 4 mijlen van Havana bevindende, ontdekte hij oostwaarts van zich eene schooner, die sterk op hem aanhield; tegen half een uur hoorde hij van de schooner, die, door stilte begundigd, hem al spoedig naderde, een schot doen en ontving te een uur van denzelven een schot met scherp, waarvan de kogel bij het schip neder kwam; de schooner door kracht van zeilen en riemen steeds nader komende, heesch de spaansche vlag, hetgeen kapitein Schackel met het hijschen der nederlandsche beantwoordde; het groot aantal manschap, welke zich op de nu zeer nabij gekomen schooner vertoonde, liet geen twijfel meer overig, dat dezelve een roover was en de manschap Zich voor de overmagt niet bestand rekenende, moest hij bijdraaijen en met zijne papieren, en van den onderstuurman en een matroos vergezeld, in de sloep aan boord van de schooner komen, waar zij dadelijk naar beneden gejaagd werden, waartoe ook het nog op de brik gebleven volk door bedreiging van op hen te zullen vuren, genoodzaakt werd; zoo dra hieraan voldaan was, begaven zich 7 roovers op de brik, die den stuurman op het dek riepen, om zeilen bij te zetten, niet meer dan 2 man op het dek toelatende, om hem hierin te helpen; daarop vroegen zij hem waarin de lading bestond, en kregen ten antwoord, dat het schip niets dan kaas, boter en jenever in had; al langs de kust zeilende, kwam te 12 uren een tweede roover bij hen, die nog 8 man op de brik zette en welks opperhoofd zich in de kajuit begaf, aldaar den stuurman ontbood, hem met de pistool op de borst naar de lading ondervroeg, en dreigde bij de minste verzwijging hem overhoop te zullen schieten, welke aanvraag even als de eerste beantwoord werd; ook het overige volk en de passagiers werden herhaalde reizen mishandeld en met den dood bedreigd, ten einde hen eenige bekentenis af te persen, zeggende, dat zij voornemens waren het schip met het volk te verbranden, en met verzwijgen toch niets van de lading te redden zoude zijn; den volgenden ochtend achter de Jacobs-Point ten anker gekomen zijnde, kwamen de roovers digt bij de brik mede ten anker, waarop het volk dadelijk naar beneden moest en het dek oogenblikkelijk vol volk geraakte, die terstond hetgeen hen niet aanstond, benevens de boot, over boord wierpen, de masten en boegspriet kapten, de luiken openbraken, zo veel van de lading, als zij bergen konden, op het dek bragten, al, wat in de kajuit was, daar uit haalden en aldaar ook in het logis alles aan stukken sloegen, om te zien of ook iets verborgen was; kapitein Schackel, toen op het dek geroepen, zag meer dan 60 personen bezig met de lading in andere vaartuigen over te schepen en werd aan boord van de Minerva bij den opperste der roovers gezonden, die hem, alzoo men meer goederen gevonden had, dan door hem opgegeven waren, den dood aankondigde; hierop werd bij, zijne passagiers en twee van zijne matrozen aan boord van een der roovers gebragt, die het anker ligtte en naar zee ging; de stuurman en het overige volk bleven op de brik, moetende, daartoe gedwongen, de roovers in het lossen helpen; den tweeden dag daarop kwamen zij weder bij de brik en eenige dagen later zeide men hen, dat zij in het leven blijven, doch zoo lang gehouden worden zouden, tot zij genoeg geroofd zouden hebben. Den 4 of 5 Maart werd door den roover, op wien zich kapitein Schackel bevond, aan den mond van Matanzas genomen de engelsche schooner Success, van New-Providence, die zij bij de brik bragten, en, na een gedeelte der lading over boord geworpen te hebben, met 5 stukken tot een roover-vaartuig wapenden; den 11 Maart de nog overige lading uit de brik genomen hebbende, lieten zij dezelve als een wrak op het strand liggen. Den 13den staken de beide roovers weder in zee en ankerden des avonds onder de punt van Hidden-Harbour; daar gingen de opperste der roovers en eenige der zijnen aan den wal en keerden des nachts met brood en water terug; met den dag gingen beiden andermaal naar zee, jaagden des ochtends een driemastschip (sedert gebleken te zijn dat van kapitein Schwennen, van Hamburg) tot een en drie vierde mijl van Havana, doch hetwelk hen door koelte ontkwam; dien namiddag echter namen zij de engelsche brik Ceres, van New Orleans naar Liverpool, daar zij kapitein Schackel en zijn volk, uitgezonderd de twee, die aan boord van den anderen roover waren, aan boord zonden, den engelschen kapitein gelastende, dadelijk naar zee te zeilen, met verbod, om de overgezette personen aan land te brengen; kapitein Schackel trachtte vervolgens des nachts den engelschen kapitein over te halen hem de boot af te staan, om zich daarmede naar Havana te begeven, hetgeen deze weigerde en hem vervolgens te Nassau op New-Providence aanbragt. Daar ondervond kapitein Schackel het minzaamst onthaal, inzonderheid van de Bahama-Kamer van Koophandel, door welkers edelmoedige ondersteuning en bijstand het hem gelukte Havana te bereiken. Bij zijne aankomst aldaar vernam hij, dat van zijne lading goederen, in de tweede en derde hand onder de kooplieden te Matanzas ontdekt, in beslag genomen en op regterlijk gezag, voor rekening van die het mogt aangaan, verkocht waren. De houders dier goederen, zijnde de vijf voornaamste kooplieden van Matanzas, waren gearresteerd, waarvan sedert twee uit de gevangenis ontkomen waren, doch de drie overigen zich nog in hechtenis bevonden, wier proces werd opgemaakt. Voor de proces-kosten en het beloop der verkochte goederen hadden de heeren Aizpurua en Hornillos zich als borgen moeten stellen; kapitein Schackel deed vervolgens alle mogelijke pogingen, om nog iets van zijn schip en het overige der lading te ontdekken, doch vruchteloos, waarop hij den 28 April Havana verliet, wanneer 10 amerikaansche schooners, eene langeboot, een stoomvaartuig en eene korvet, onder bevel van den commodore Porter, aan de noord- en verscheiden engelsche oorlogs-vaartuigen aan de zuidzijde van Cuba kruisten, waardoor de vaart op dat eiland ongetwijfeld veel in veiligheid zoude winnen, zoo als hij dan ook reeds het genoegen had te vernemen, dat het roover-vaartuig, hetwelk zijn schip genomen had, door twee der amerikaansche schooners genomen was; de roovers echter hadden den tijd gehad, om allen, slechts één uitgezonderd, naar den wal en verder te paard landwaarts te vlugten. Sedert heeft men, met brieven van Havana, van den 21 April, vernomen, dat de Engelschen zich, op de kusten van Cuba, van 120 zeeroovers en een hunner goeletten, Zaragozana geraamd, hebben meester gemaakt; de amerikaansche flotille kruiste ook in die wateren. Rotterdamsche Courant, 21-06-1823 |