Home


Personen


Schepen

Overzichten

Contact

Bronnen

Maten

Retour
Het schip
Delta (1839)
 
Meer informatie over dit schip
Het vergaan van het schip Delta.
In ons nommer van j.l. Zaturdag, meldden wij de aankomst alhier ter reede van het Eng. schip Culdee, gezagvoerders Chambers, aan boord hebbende de equipage van het Nederl. schip Delta, hetwelk den 30 Mei op het Kenn Reefs geheel is verongelukt. Voldoende aan onze toen gedane belofte, delen wij omtrent deze zeeramp thans het navolgende mede: Wij zeilden onzen koers, N. t. 0. houdende en hebbende eene stijve koelte en ligte buijen met donkere wolkdrijvende lucht: wij hielden als gewoonlijk goeden uitkijk, toen wij ten 8¾ ure 's avonds eene zware branding regt vooruit en aan weerszijden, zoover de duisternis zulks toeliet te zien. ontdekten; wij draaiden het roer onmiddelijk aan lij en trachtten het schip overstag te zeilen, doch op den wind geloopen zijnde, weigerde hetzelve door te draaijen, deinsde en bevond zich onmiddelijk zwaar stootende in het midden der branding, welke men moet vooronderstellen op de Z. 0. zijde van het Kenn Reefs te zijn. Vervolgens dwars winds met het geheele ligchaam tegen het rif vallende, sloeg de zee met vreeselijk geweld tegen en over het geheele schip, hetwelk met iederen stoot meer overviel, zoodat men zich ter naauwernood op het dek kon slaande houden, en in minder dan één uur tijds tot in het tusschendeks vol water stond. Wij maakten dus aanstalten om de booten van boord te krijgen, doch de werkboot, met goed gevolg aan de lijzijde van het schip te water gekregen hebbende, werd spoedig door de zee medegesleept en met de vijf zich daarin bevindende manschappen aan ons oog onttrokken; wij besloten daarom verder geene booten meer uit te zetten, doch het tuig te kappen en alzoo den dag op het wrak af te wachten. Spoedig lag het voortuig overboord, de grootmarssteng met zich nemende, en wij kapten vervolgens den bezaansmast. De branding sloeg alsnu hevig over het schip en dreigde ieder oogenblik hetzelve vaneen te slaan. Wij waren verpligt de groote mast ook weg te kappen, daar dezelve wel twee voet op en neer stampte en de ijzeren bouten der grootstagen uit de balken rukte; wij kapten dus één der hoofdtouwen, waarop onmiddelijk de overigen sprongen en de mast achterover in twee stukken viel, gedeeltelijk op het dek en op de verschansing. Nu trachtten wij zooveel mogelijk het tuig van het schip vrij te krijgen en waren hiermede een groot gedeelte van den nacht werkzaam, alsmede met het bijeengaren van eenige levensmiddelen. Gedurende den ganschen nacht bleef het weder buijig en de wind ongestadig, het wrak werkte hevig en de zee brandde met geweld over hetzelve heen, en zoover het oog reikte was alles branding, zoodat er weinig uitkomst op redding bestond en volstrekt geen doorkomen met de booten, welke ons nog overig waren. De equipage doornat en afgetobd zijnde, gaf alsnu de werkzaamheden op en bevestigde zich zooveel mogelijk aan het wrak, ten einde daar niet van te worden afgeslagen; wij bevonden ons alsnu met 24 koppen te zamen. Met het aanbreken van den dag ontwaarden wij, niet ver van ons verwijderd, nog een wrak en vervolgens tot onze groote blijdschap de boot met de vijf manschappen, die des nachts, onder een vreeselijken kreet van hen die in dezelve waren, uit ons oog in de branding verdwenen was. Wij bespeurden thans dat wij ons op een uitgestrekt en geheel onder water liggend koraalrif bevonden, hetwelk zich van het N. 0. tot het Z. van de plaats waarop wij waren, zoover men met behulp van den kijker zien konde, uitstrekte, langs dezen gebeden buitenlijn van minstens 4 Duitsche mijlen, niets dan branding en brekers te aanschouwen latende, doch binnen welke de zee zeer slecht of effen was, als zijnde bezaaid met eene tallooze menigte, 2 à  3 voeten boven water liggende, kleine zwarte klippen en op eene halve mijl afstands, ten N. W. van ons wrak, bevond zich eene kleine drooge zandbank van ongeveer een kabellengte in omtrek, welke met gewoon tij 7 à  8 voeten boven de oppervlakte der zee bleek droog te blijven.
Al spoedig trachtten de in de boot zijnde manschappen, zich zoo digt mogelijk naar het wrak te begeven, hetgeen hun, daar het laag water was, bijna gelukte. Hun, door behulp eener reddingboei eene lijn hebbende doen toekomen, begonnen wij alsnu aanstalten te maken om de groote boot van boord te krijgen. Hiertoe namen wij twee spieren, en dezelve van onderen en boven op eenigen afstand van elkander bevestigende, zoodanig, dat de boot tusschen dezelve konde afglijden, bragten wij dezelve daarop voor hun werk, ligtten de boot uit hare klampen en op deze spieren of slede, en schoven dezelve van het wrak, zonder dat zij op het laatste of het daarnevens liggende rondhout eenigzins beschadigd werd. Vervolgens bewerkstelligden wij hetzelfde met de lifeboot, welke, aan de loefzijde hangende aldaar onmogelijk konde gestreken worden, en trachtten daarop de groote boot langs de genoemde lijn door de branding te halen, hetwelk gelukte; doch zij raakte op het rif vast en er was geen water genoeg om dezelve er over te vlotten. Daarop bragten wij met behulp der lifeboot, de weinige, gedurende den nacht bijeengegaarde provisien en drinkwater in de groote boot en van daar met de werkboot naar de zandige droogte, doch om iets meer uit het wrak te redden was geheel ondoenlijk, daar hetzelve vol water stond, het tusschendek opgespleten en het achterschip van af de groote rust ieder oogenblik dreigde af te slaan. Slechts eenige kleedingstukken van het volk en zeer weinig drinkwater en provisie, bestaande hoofdzakelijk uit brood, dat reeds op het wrak grootendeels doorweekt was van het zeewater, was al wat er gered was.
Op de voornoemde zandbank werd eene menigte wrak- en rondhout gevonden, en kon men van daar, behalve het onze en het reeds genoemde, nog drie bijna reeds geheele vergane wrakken bespeurd, benevens eene menigte scheepsgereedschappen, als: ankers: kettingen, waterketels als anderzins.
Aldus werkzaam zijnde, ontwaarden wij omstreeks 11 ure een zeil in het Oosten van ons, koers stellende om den noord; onmiddelijk werden, zoowel door de zich op de zandbank bevindenden, als door hen, die nog op het wrak waren, alle mogelijke seinen in het werk gesteld, ten einde de aandacht te trekken, en wij bespeurden alras dat men ons opgemerkt had, dewijl het vaartuig bij den wind opstak, daarop om den Zuid wendde en eene vlag heesch, vervolgens werkte het met korte slagen om den Zuid en stevende zoodoende naar de West- of lij zijde van het rif, alwaar hetzelve bijdraaide, ten einde ons af te wachten. Onze groote boot nog steeds onbewegelijk op het rif blijvende vastzitten, konden wij daar bijgevolg geen gebruik van maken; wij verdeelden ons dus in de beide sloepen, doch waren alsnu verpligt het weinige geredde aan levensmiddelen en kleederen grootendeels achter te laten, moetende de booten omtrent een kwart Duitsche mijl dragender wijze over het vlak liggende rif gesleept worden. Na in dieper water gekomen te zijn, vervolgden wij onzen togt, nu en dan nog eenige afliggende ondiepe plaatsen ontmoetende en kwamen omstreeks 3 ure in den namiddag langs zijde van het voornoemde schip, zijnde het Eng. barkschip Culdee van Greenock, gevoerd wordende door kapitein Chambers, door wien wij met de meeste welwillendheid werden opgenomen en verpleegd.
Genoemd schip was bestemd naar Batavia, werwaarts de gezagvoerder besloot zijne reis te vervolgen, die dan ook onmiddelijk werd voortgezet.
Na behoorlijke verpleging en eenige rust genoten te hebben, bevond zich de geheele equipage, bij het voorregt eener spoedige redding, tevens in het genot van eenen tamelijk goeden welstand.
Op een zandbankje achter het koraalrif, waarop wij schipbreuk geleden hebben, vonden wij eene flesch, die wij eerst dachten ledig te zijn, doch hij het opnemen bevonden een brief te bevatten, in de Engelsche taal geschreven, dien wij in deszelfs geheel hier mededeelen, in de hoop, dat die mededeeling voor de belanghebbenden van nut moge zijn. De brief luidt als volgt :
Monday, October 28tb 1830.
The barque Jenney Lind of Plymouth, Joseph Taijlor commander, sailed from Melbourne Tuersday, September 8d 1850 for Singapore was wrecked on this Reef. Saturday 21 September 1850, the crew and passenger together amounting to 28 souls, lived on this bank for 3 weeks, during which time the carpenter and bands were employed building a boat, large enough to carry all hands; this day we all left this spot, hoping by Gods help to arrive safely either at or in the neighbourhood of Morton Bay[ Moreton Bay].
The Jenney Lind belonged to Joseph Brent, Devenport. We obtained fresh water by distilling it from salt water with the Books Coppers.
Names of Crew.
Joseph Taijlor, Plymouth, commander.
James Masters, mate. .
Samuel Harper, Plymouth, 2d mate. .
Alexander Simpson, Dundee, Scotland, carpenter. .
Alexander Fanferill, Newboury. Fifeshier, Scotland. .
Jaffery David Dennis, Surrey Steward. .
Charles Taijlor, son of capt. Taijlor. .
James Masters, son of lst mate. .
Richard Holten, Devenport. .
Robert Butcher, Plymouth. .
Edward Williams, Plymouth. .
Richard Topp, Targuay. .
Francies Lindsaij, Belfast. .
Richard Williee, Plymouth. .
George Hannes Turnchapel, Plymouth.
William Ryder Hool, Plymouth.

Java Bode, 08-07-1854