Home


Personen


Schepen

Overzichten

Contact

Bronnen

Maten

Retour
Het schip
Groningen (1845)
 
Meer informatie over dit schip
Cowes, 28 Nov.
De Groningen, kapt. Stoelman, v. Odessa n. Amsterdam, waarvan wij in een vorig nommer melding maakten is hier heden in noodstaat binnengekomen.
Nieuwe Rotterdamsche Courant, 04-12-1846

Malta, 28 Julij.
Het schip Groningen, kapt. Stoelman, v. Braila n Cork is gisteren alhier lek binnengeloopen, hebbende in de Dardanellen op strand gezeten; wanneer het lek gevonden en gestopt zal zijn, zal men de reis voortzetten.
Algemeen Handelsblad, 19-08-1847

De Utrechtsche Courant behelst eenige bijzonderheden omtrent het verongelukken van de Hollandsche galjoot Groningen, van Nickerie naar Rotterdam bestemd, in de baai St. Ouen, Guernsey, [St. Ouen ligt op Jersey, red.} op den 4 dezer. Op de uitreis verloor het vaartuig zijn kapitein, die in de Noordzee over boord viel. De eerste stuurman nam toen het bevel op zich en voerde het schip naar de West en bijna weder te huis. Des morgens van 4 dezer raakte het schip bij zwaar en donker weder op de kust van Guernsey vast en werd door sterken stroomen wind naar de kust gesleept, zoodat de stranding niet belet kon worden. De boot werd te water gelaten, maar de kapitein wilde het schip niet verlaten en de manschap bleef toen ook aan boord. De boot dreef ongelukkig af. Een kwartier na de stranding werd de mast omver gerukt, de onderstuurman wilde zich daarop redden, maar omdat het schip stand hield bleef de geheele bemanning aan boord, later redde zich de onderstuurman, door zich aan eene plank te klemmen. Kort daarna spleet het schip en voerde de zes schepelingen naar de diepte, vijf van welke omkwamen, namelijk C. Meijer, van Amsterdam, kapitein; D. Lijcklama a Nyeholt van Alkmaar, stuurmansleerling; J. van der Laag, timmerman, J. Hoggar en P. Verstolk, matrozen. Een paar dagen later werden de lijken opgevischt. De Groningen was 150 tonnen groot en met katoen en suiker geladen, van welke de katoen gered is.
Volgens een ander berigt is de hond des kapiteins, uitgeput van vermoeijenis, naar den wal komen zwemmen, waar men nog afgescheurde lappen der kleedingstukken zijns meesters in zijnen bek vond, en daaruit te regt meende te moeten opmaken dat hij vergeefsche pogingen aangewend had om dezen te redden.
Rotterdamsche Courant, 19-04-1853